Operatie Gegarandeerde Mislukking


Door de financiële aderlating die we afgelopen jaar deden maar ook omdat ik heel erg graag dingen tweedehands koop (vanuit het oogpunt van duurzaamheid en omdat schatzoeken nu eenmaal een bepaalde spanning en sensatie aan consumeren geeft dat nieuw kopen niet geeft), kan ik inmiddels wel zeggen dat het meeste in ons huis tweedehands is. Mijn kleding, het huis zelf en de inrichting. Zelfs Gerrit Rietveld (de kat – voor wie dat gemist had, haha) is op een manier tweedehands: zijn zwervende moeder hoefde hem althans niet per se in haar leven te hebben, dus was hij al afgedankt voor hij een paar uur oud was. Mij iets nieuws zien kopen is, kortom, zo zeldzaam als het spotten van zeg, een kommerhommel. Of een gewone groene huisdraak.

Maar ik had dus al een tijdje een beetje een crush op de Tree Trunk vaas van HAY. De kleine variant kocht ik ooit voor een goede prijs op Marktplaats, maar hoe gunstig de kringloopsterren soms ook staan, het op de kop tikken van een grote Tree Trunk vaas via één van mijn obscure en minder obscure tweedehands kanalen ging een Operatie Gegarandeerde Mislukking worden. Na veel wikken en wegen kocht ik hem dus maar nieuw en wel in de eerste week van dit jaar. Een rib uit mijn lijf, maar man man, wat was ik er blij mee.


Was, inderdaad. Want in totaal heb ik twee weken pret gehad van die vaas. Door een ongeluk waar ik je de details van zal besparen, sneuvelde mijn splinternieuwe HAY vaas. Ik en mijn dochtertje hebben samen staan huilen toen dat gebeurde. Zij van de schrik (ze is immers twee) ik van ellende (omdat het immers mijn feestje is en ik jank als ik dat wil nondeju).

Goed, de vaas was dus kaput. Waarop ik, omdat ik zo fijn met ze samenwerk, MisterDesign heb gevraagd of ik via hen een nieuwe vaas gesponsord zou mogen krijgen. Dit in ruil voor een relaas over mijn talent om dingen te slopen voor ik er goed en wel van heb kunnen genieten (dit is tevens een metafoor voor de relaties die ik had toen ik 16 was, gelukkig was dat een fase). Ze stemden in en zo kon ik kort daarna een nieuw exemplaar aaien en – een prettige bijkomstigheid – vullen met bloemen.

De ontwerper van deze vaas is van origine houtbewerker en heeft de toepasselijke naam Richard Woods. (Deze man had door zijn achternaam twee opties voor het kiezen van een beroep: houtbewerker of boswachter. Ik zie hem al een beroepskeuzetest doen, die was snel klaar.) Ik heb eens een heel hypnotiserend filmpje zitten kijken van hoe de vazen beschilderd worden. Dat gebeurt met de hand, in aaneengesloten, vloeiende bewegingen. Wellicht dat daar de basis voor de aantrekkingskracht van die vazen voor mij is gelegd. Ze hebben iets liefs vind ik, door hun matte afwerking en de zachte vormen van de stam en uitstekende takken. Daarbij is deze vaas perfect voor een bloemschiknitwit zoals ik omdat hij hoog is en smal. Genoeg redenen dus om te huilen als zoiets fantastisch kapot valt. Al moet ik toegeven dat deze nieuwe vaas toch voor behoorlijk wat spanning en sensatie heeft gezorgd.

Een bloemlezing


Bezoekers van mijn Rotterdamse glitteroma waren jarenlang getuige van een bijzonder fenomeen op haar balkon. In de bloembakken die daar stonden bloeiden namelijk bloemen die nooit tegelijk in bloei zijn. Wat zeg ik, er stonden bloemen die het nooit in het Nederlandse klimaat zouden redden. Deze vervreemdende balkonsituatie viel geheel te wijten aan het feit dat al die bloemen van plastic waren. Mijn oma hield erg van nepbloemen en wel om de immens praktische redenen dat er geen rommel vanaf kwam, dat ze geen water nodig hadden en dat ze hooguit verschoten maar nooit verwelkten. Ze had de bloemen, niet het onderhoud. Ik erfde mijn oma’s opgeruimde kant, dus kan ik me best vinden in deze houding. Daarbij ben ik niet vies van een beetje camp, dus moet ik altijd glimlachen als ik aan die bloembakken denk.

Mijn andere oma, die oma naar wie ik mijn blog vernoemde, had ook een atypische houding ten opzichte van bloemen. Snijbloemen hebben de vervelende eigenschap dat ze verwelken en daar hield mijn oma niet van. De aanblik van het op handen zijnde verval maakte haar, aldus zijzelf, treurig. Dus had ze ze liever niet in huis. Dat betekende niet dat mijn oma niet van bloemen hield. Maar ze genoot liever van ze in de tuin, waar ze een seizoen lang meegingen. Of in de vorm van kleine boeketjes die we tijdens onze wandelingen plukten en thuis in een oud mosterdglaasje zetten. Ik leerde door haar vooral dat boeketten niet groots en meeslepend hoeven te zijn, maar zo bescheiden mogen zijn als een boeketje bermbloemen.

Aan het eind van 2019, nadat ik voor het eerst sinds tijden bloemen liet bezorgen en stylede, deed ik mezelf de belofte om dit weer vaker te doen in 2020. Maar dan wel op de wijze waarop mijn oma’s het deden: praktisch…en misschien een beetje anders-dan-anders. Toen Fleurop (of althans: een medewerker ervan) mij in januari vroeg of ik het leuk vond om in samenwerking met hen een blogpost hierover te maken, leek me dat dan ook een goede stok achter de deur om dit goede voornemen in de praktijk te brengen.

Ik heb zelf – net als mijn oma’s – een ambivalente houding ten aanzien van bloemen. Ik hou ontzettend van bloemen in huis, van bloemen in mijn foto’s, maar ze aanschaffen en verwerken vind ik best wel een ding en daarom doe ik het niet zo vaak als ik zou willen. Zo heb ik met het vervoeren van bloemen altijd problemen. Ik ben misschien wel de enige mafkees die hier last van heeft, maar ik word er doodzenuwachtig van om die delicate stengels een beetje jofel naar hun eindbestemming te krijgen. Zo lijkt het altijd alsof windkracht 12 opsteekt als ik besluit om mijn delicate vrachtje op de fiets te vervoeren. Met de auto bloemen halen is natuurlijk niet duurzaam maar vergroot wel de kans op succes. Maar rem ik een keer hard, dan belanden die bloemen altijd op een plek waar al hun knoppen afknakken. Serieus, het is – om met mijn oma te spreken – alsof de duvel ermee speelt. Ik heb gewoon slechte bloemvervoerkarma.

(Bloemen krijgen is bijkans nóg erger. Zit je op je verjaardagsfeestje een stuk taart weg te hakken, moet je ineens een bos verjaardagsbloemen managen. Mijn Lief zet (net als de rest van de wereldbevolking) zo’n boeket in de gootsteen met een laagje water, maar daar kan ik dus niet tegen. Die arme bloemen hebben er al een reis zonder water opzitten en moeten vervolgens nog langer wachten tot er voor ze gezorgd wordt. Ik kan ze op zo’n moment bijna horen huilen van ellende. Je kan dat projectie noemen of een te groot inlevingsvermogen, maar zo’n jammerende bos bloemen in je keuken zet toch een domper op de feestvreugde.)

Krijg ik de bloemen heel thuis, dan volgt de worsteling van het verwerken ervan. Om er een coherent geheel van te maken, weet je wel? Ervoor te zorgen dat iedere bloem op precies de juiste hoogte staat zodat er een goede compositie ontstaat. Ik denk dat wiskundigen nog steeds hun hoofd breken over de juiste verhouding van vaasomtrek versus hoeveelheid bloemen. Bij mij is die verhouding meestal…zoek. Enfin, laat ik het zo zeggen: ik verdien – al zeg ik het zelf – ponystickers tot in het oneindige dat ik die worsteling iedere keer weer tot een redelijk bevredigend einde breng zonder iets stuk te maken.

En dan zwijg ik nog over het spoor van dood blad en stuifmeel dat bloemen achterlaten zodra je ze naar de composthoop verplaatst. Op dat vlak ga ik mijn oma ook steeds beter begrijpen.

Ondanks dat ik het laat klinken als een kwelling, wil ik meer met bloemen doen. Want als ze eenmaal staan, kan ik er ontzettend van genieten. Die worsteling roept een halsstarrigheid in me op om iets onder de knie te krijgen wat anderen (zoals mijn oud-collega Anne) moeiteloos lijken te doen. Dus ploeter ik voort, met meestal een redelijk bevredigend resultaat.

Een bos hoeft dus niet groots te zijn, niet meeslepend. Het mogen zes hyacinten in een gekringloopte vaas zijn, een rommelig boeketje aangevuld met winterjasmijn en uitgebloeide hortensia uit de tuin, een ranonkel en een takje wilde margrieten. Eigenlijk gewoon precies zoals mijn oma’s bloemen benaderden. Praktisch en anders-dan-anders.

Lekke doos


In een vorig leven werkte ik bij een ontwikkelingsbedrijf waar het thema isoleren al een belangrijk onderwerp was. In relatie tot isoleren viel tijdens vergaderingen vaak de term ‘lekke doos’. Ik moest daar best wel om giechelen (de vergaderingen waren lang en mijn aandachtsspanne vrij kort, dus meligheid lag altijd op de loer) maar wat ze met een lekke doos bedoelden was: je kan een huis pas duurzaam verwarmen als het goed ingepakt (geïsoleerd) is. Zoals een cadeautje, zo je wil. (Het is immers december.) Met andere woorden: je kan warmte in een lekke doos pompen wat je wil, maar met de snelheid waarmee de warmte je huis verlaat, stijgt het bedrag op je energierekening.


Ons huis was wat je noemt een lekke doos. Omdat we helemaal van het gas af wilden en het huis met een warmtepomp via lagetemperatuursvloerverwarming wilden gaan verwarmen, moest het dus hardcore ingepakt worden: door het glas te vervangen met triple glas (glas is het grootste warmtelek van een huis – vandaar dat nieuwbouwhuizen steeds kleinere ramen hebben) en door alle buitenmuren en de vloeren te isoleren. Dat laatste was niet zo’n probleem, een vloer isoleer je vrij gemakkelijk via de kruipruimte of door isolatieplaten op de vloer te leggen, maar de buitenmuren waren in het geval van ons huis wél een probleem omdat de bakstenen van het huis geglazuurd zijn. (Dat is dus echt heel vet. Niet praktisch, maar wel vet. Vorm boven functie, mensen.) Stenen met een laagje glas aan één kant kunnen aan die kant niet “ademen” (ofwel vocht doorlaten). Het huis isoleren via de spouw (de ruimte tussen binnen- en buitenmuur) is in zo’n geval onmogelijk omdat onze bakstenen ademen via de kant die je via spouwisolatie zou inpakken: de achterkant. (Ik hoop dat je me nog volgt, het is echt het meest sexy onderwerp ooit, maar niet heus. Belangrijk, niet sexy. Anyway.)


Dus besloten we het inpakpapier dan maar binnen aan te brengen. Dat is mijn infantiele manier om te zeggen dat we vacuüm verpakte isolatiepanelen tegen de binnenmuren die een koudebrug met de buitenmuren vormden hebben gelijmd (daarmee bedoel ik eigenlijk gewoon alle muren behalve de muren tussen kamers in). Die panelen werden afgewerkt met gipsplaten, die op hun beurt weer werden behangen met renovlies. In de praktijk was dit een monsterklus waar enorme bouwstempels aan te pas kwamen, honderd miljoen miljard liter lijm, afgrijselijk veel stof en twee blijmoedige timmermannen die een prijs verdienen voor het geweldige werk dat ze afleverden. De grap is ook hier: je ziet er niks meer van. Behalve misschien dan op onze energierekening (die tijdens de wintermaanden rond de 900 euro per maand schommelde in het pré-lekke doos tijdperk).


Er kleeft één nadeel aan het op deze manier isoleren van je huis. Zodra je in die panelen boort, hef je hun isolerende werking op. En al hou ik van strakke wanden en ga ik gebukt onder zoiets als boorvrees (ons vorige huis was gebouwd met kalkzandsteen waardoor een boorgat altijd direct in een toegang tot een ander universum veranderde), met een twee meter dikke rij schilderijen in de opslag is het leuk als je daar toch íets van kunt ophangen.

Helemaal aan het begin van onze verbouwing werd ik echter al benaderd door Artiteq met de vraag of ik hun flexibele ophangsystemen wilde toepassen in ons huis. Dat leek me – met het toekomstige boorverbod in het achterhoofd – een geweldig waardevolle samenwerking. We gebruikten uiteindelijk een ophangsysteem dat aan het plafond bevestigd wordt. Het eindresultaat is amper zichtbaar, wat in het geval van dit product helemaal de bedoeling is. Je kan aan de rail verschillende flexibele ophangdraden bevestigen, waaraan je zware of lichte lijsten kunt hangen, maar ook – en daar ben ik misschien nog wel blijer mee – een ophangkoord met kleine magneetjes waar ik de mooiste tekeningen van Jet aan kan hangen. (Zoals je hieronder overigens kunt zien is Cars gefriendzoned en hebben Frozen en glitters hun intrede in ons huishouden gedaan.) Het mooie is: het systeem is flexibel, dus als je een lijst wil vervangen voor een andere met een andere maat, hoef je niet opnieuw een gat te boren.

Zo werd ons huis een cadeau dat we ingepakt laten. Het is dat Rietveld niet van franje hield, anders bond ik er een strik om, zo blij zijn we ermee.


De speelblokjeskrans boven mijn bureau maakte ik zelf, je kan de zelfmaker hier vinden. De kleur geel op de muur in de werkkamer is van Flexa: G1.57.79. De vintage glasvezel Verner Panton S-chair op de foto’s is een kringloopgelukje van 20 euro waarvan ik zelf nog steeds amper kan geloven dat die een paar weken geleden op mijn pad kwam tijdens een kringlooptripje met Marij.

De kamer met het handenwassertje

Wat doe je als ouder, als je kind zonder morren meebuigt met de levensveranderende keuzes die jij voor haar maakt? Dan laat je haar, al is het maar een armoedige troostprijs, kiezen welke kamer in het nieuwe huis haar slaapkamer moet worden. Ze koos “de kamer met het handenwassertje”, met toegang tot het balkon. Omdat ze dan, in haar woorden, “stiekem ’s nachts naar buiten zou kunnen om naar de maan te kijken”. Zo heerlijk hoe kinderen potentieel stiekeme acties al hebben opgebiecht voor ze ze überhaupt uitgevoerd hebben.


Dat handenwassertje (of wat in de volksmond wastafel wordt genoemd) was een geweldig detail in die kamer van haar. De slaapkamers in ons nieuwe huis zijn echter niet mega groot en vlak voor de verhuizing kwamen we er dan ook achter dat we die wasbak wel konden laten zitten, maar dat haar bed dan niet meer in de kamer zou passen. Althans, niet als we de balkondeur nog wilden gebruiken. Dus koppelden we de wasbak af.


Gezien de beschikbare ruimte waren er, naast de reeds aanwezige zaken als bed, kleed, wandkastje en accessoires, maar twee toevoegingen nodig voor Jet’s nieuwe kamer. Een uitgelezen kans om twee wensen van mijn immer uitdijende verlanglijstje te kunnen strepen. Gelukkig hou ik, net als andere 5-jarigen, van kleurrijke, tegen kitsch aanschurende spullen, vandaar dat ook Jet het idee van een Chinese bruidskast als kledingkast zag zitten. Ik vond er een op Marktplaats, bij een vrouw die een huis inclusief inboedel kocht (serieus, dat is een beetje zoals een kringloopinboedel kopen…hoe vet is dat?!) en die duidelijk niet van kitsch hield. Hij mocht dan ook weg voor een hele scherpe prijs.

Nog een gratis tip: maak een dergelijke kast nooit schoon met een lekker heet sopje en afwasmiddel zoals ik deed. De schade is te overzien, maar waar ik dacht dat het ding onder de nicotine zat, bleek dat de verf te zijn die ik ervan af stond te schrobben. Deze kast ontkracht overigens alle vuige roddels over Chinese makelij, want de illustraties kwamen behoorlijk ongeschonden uit mijn schoonmaakwoede. We plaatsten hem voor behang van Zilverblauw, een – in mijn ogen en Jet’s ogen – geweldige combinatie.


De tweede wens voor Jet’s kamer was de Memory wandlamp van het Tsjechische merk Brokis. De lamp is een beetje zoals een boek van Annie M.G. Schmidt of een film van Pixar. Hij is leuk voor kinderen én volwassenen. Dit geniale ontwerp stond al jaren stof te vangen (kan dat?) op mijn digitale verlanglijstje op Pinterest. De Memory lamp functioneert op zijn plekje boven Jet’s bed perfect als leeslamp, maar ook als knipoog naar de voormalige witte bollamp die op dat lichtpunt boven de wasbak aangesloten was. Ik kreeg hem gesponsord van het sympathieke Mister Design, waar ik eerder al mee samenwerkte. Heb je geen lichtpunt tegen de muur, dan is de Memory lamp is ook als hanglamp verkrijgbaar. Nog een leuk detail: de lamp is gemaakt van meerdere lagen glas, een techniek die al honderden jaren wordt toegepast in Tsjechië. Je bedient de lamp door aan het touwtje te trekken. Zoals ik al zei: geniaal.

Waar ze alle reden had om van het verwijderde handenwassertje een excuus te maken om de verhuizing in het algemeen, het nieuwe huis en al onze keuzes in het bijzonder stom te vinden en haar kont tegen de krib te gooien, reageerde Jet, toen ze haar nieuwe kamer zag, met de woorden “dat heb jij mooi gemaakt, mamma”. Ze heeft met haar vijf jaar al laten zien uit wat voor hout ze gesneden is. Dat vervult me niet alleen met trots, maar het is ook nog eens een staaltje levenskunst waar ik nog wat van kan leren.

Hoe eet je een olifant?


Ken je dat gevoel? Dat je zoveel te zeggen hebt, dat je niet meer weet waar je moet beginnen en dan maar niks zegt? Dat gevoel heb ik momenteel. Er is de afgelopen maanden zoveel gebeurd in ons nieuwe huis, waar ik zoveel over kan vertellen…dat ik een beetje vastloop. Een geliefd familielid van mij heeft daar echter een geweldig (Afrikaans) spreekwoord voor: “Hoe eet je een olifant? Hapje voor hapje.” Dat staat me te doen. Ik ga dit huis hapje voor hapje bespreken. En omdat de keuken het eerste is wat ik van het huis zag en ik feitelijk toen al verliefd en niet meer voor rede vatbaar was, zal ik daar beginnen.


In de keuken zitten bijna alle stijlkenmerken die van dit huis een monument maken. Zo moest de keukenwand met doorgeefluik (een typisch Rietveld stijlkenmerk) in tact blijven, evenals de stalen koof boven het (voormalige) lavet. Om die keukenwand te laten zitten was voor ons geen probleem. Want al zijn we beiden allang volwassen, met een doorgeefluik kan je nog altijd geweldig afhaalrestaurantje spelen en laten we wel wezen: wie wil dat nu niet? Geen haar op ons hoofd die er ook maar over peinsde om die wand uit het huis te slopen. (Sowieso zou ons dat honderd stokslagen van de monumentencommissie opleveren. Dat was ook al best een goede reden om ervan af te blijven.)

De koof boven het lavet (een lavet is een soort in beton gegoten wasbak om reuzenbaby’s in te wassen en enorme planten in te verpotten – ik kan het niet anders omschrijven) was weliswaar in abominabele staat (het huis was 56 jaar nogal koud en vochtig), maar de perfecte plek om onze toekomstige afzuigkap in weg te werken. (Ik laat mij voorstaan op het feit dat dit mijn idee was, ik heb zo mijn momenten.) Kortom, om de stijlkenmerken te behouden en in te passen in onze nieuwe plannen was geen enkel probleem. Het probleem was vooral dat de keuken 56 jaar oud was, alle tegels craquelé, er geen afwasmachine noch een koelkast in zat en dat hij volledig geïsoleerd moest worden (zie ook 56 jaar kou en vocht).


Ook hier geldt de regel hoe je een olifant eet. In dit geval kwam dat eerste hapje in de vorm van bruut sloopwerk. In de zestigerjaren werd zo’n beetje alles in beton gegoten, dus zijn we met zeven zware jongens twee volle dagen bezig geweest om het huis van binnen te strippen. Mijn vader was daarna een week zoet met het schuren van alle kasten en kastdeurtjes, zodat ik aan de slag kon met de enorme klus van het verven van al die toestanden. Pas nadat de buitenmuren geïsoleerd waren *), kon de keuken opnieuw betegeld worden. Met dezelfde tegels die er 56 jaar in hadden gezeten. Feitelijk zie je geen enkel verschil met de voor-situatie, behalve dan dat de nieuwe witte (Mosa) tegels extra mat in plaats van hoogglans zijn.

*) Omdat de bakstenen van ons huis geglazuurd en daarom niet vochtdoorlatend zijn, konden we het pand niet isoleren via de spouwmuren. Om die reden hebben we het huis aan de binnenkant geïsoleerd door middel van isolatieplaten die op hun beurt weer afgewerkt zijn met gipsplaten en renovlies.


Na al dat werk dacht ik in juni dat we toch best al een behoorlijk eind op weg waren met die keuken. De tegels zaten er immers weer in en ik was bijna klaar met het schilderen van de kastenwand en het keukenblok. In dit huis is echter geen muur recht. En een schuifdeur die eerst paste, doet dat niet meer zodra er vloerverwarming onder de vloer zit. Dat geldt ook voor een keukenblok waar isolatiepanelen achter zijn geplaatst. Ik schreef al in mijn vorige blogpost: iedere centimeter in dit huis is bevochten. Dit geldt boven alles voor de keuken. Dus kostte het nog eens vier weken om de keuken helemaal af te werken. Het geweldige aan onze keuken is direct ook het meest ontluisterende aspect gezien het werk dat erin heeft gezeten: de ruimte ziet eruit alsof er amper iets aan is gedaan.


En dan die kleur! Uiteraard moesten de kasten aan de keukenkant een primaire kleur krijgen (overigens paste Rietveld zeker ook pastels toe in zijn huizen, dus verfde ik de andere kant van de wand roze (kleurnummer A0.05.85 via Flexa). Omdat kobaltblauw al jaren één van mijn lievelingskleuren is (onze dochter leert op school dat buitensluiten niet lief is, dus heb ik tegenwoordig meerdere lievelingskleuren), was die keuze snel gemaakt. Écht kobaltblauw (ook wel ultramarijn blauw genoemd) werd echter gemaakt op basis van een bijzonder kostbaar pigment: lapis lazuli. Vroeger stond de kleur ook wel bekend als bleu Majorelle (zoals de kleur van het huis van Jacques Majorelle in Marrakech) of Yves Klein blauw. Het ware ultramarijn blauw heeft een grote helderheid en een diepe verzadiging, maar is nooit uit een mengmachine verkrijgbaar door dat pigment dat die vleug magie toevoegt. De enige (banale) kleur die kobaltblauw benadert is RAL 5002 of kleurcode V0.47.19 van Flexa. Het resultaat is niet zo intens als Jardin Majorelle, maar alleen een kniesoor let daarop natuurlijk. Die keuken vervult me iedere dag weer met geluk (al draagt dat doorgeefluik daar uiteraard ook aan bij).

Tot slot: omdat we volledig van het gas af zijn, kochten we een inductiefornuis met retro look van Falcon. Het is weliswaar een rib uit je lijf, maar die rib kan je wel lekker klaarmaken aangezien het net zo fijn kookt als een gasfornuis. Nu alleen nog even duizend jaar sparen zodat we de elektriciteit voor ons huis zelf kunnen opwekken met zonnepanelen. Hapje voor hapje, lieve mensen. Zo eet je een olifant.